Kwaliteit van het bier: de erfenis van een unieke vakkennis

Eeuwenlang werd de kwaliteit van het bier beoordeeld door een officier in dienst van de Kroon. Hij moest ervoor zorgen dat het bier dat geschonken werd op het grondgebied van een voldoende hoge kwaliteit was. De officier was herkenbaar aan zijn lederen broek, een essentieel onderdeel van zijn plechtige outfit. Hij goot een beetje bier op een bank en ging daar met een heel ernstige air een half uur op zitten. Als hij daarna in een handomdraai kon rechtstaan, dan was het bier “van goede kwaliteit”. Maar als zijn lederen broek aan de bank bleef plakken, dan was het een slecht gegist bier en mocht het niet verkocht worden. Later evolueerde dit nobele beroep door de uitvinding van ‘meer gesofisticeerde’ toestellen, zoals de hydrometer.


Maar ook de verdere ontwikkeling van kennis was een belangrijke troef in de zoektocht naar de ultieme kwaliteit. Na de nederlaag van Napoleon III in de Frans-Russische oorlog besloot Louis Pasteur in een vlaag van patriottisme om zijn ontdekkingen op het vlak van micro-organismen (gist) en pasteurisatie te delen. Met iedereen, behalve met Duitsland. Het was zijn manier om de strijd te winnen om de felbegeerde titel “bier van de hoogste kwaliteit ter wereld”.
 

Al sinds de Soemeriërs stonden de kwaliteitseisen ten dienste van de goden. Bier was een heilige offergave en moest dus perfect zijn. Er stond dan ook niet minder dan de doodstraf op het maken van een mislukt brouwsel. Kwaliteit ligt brouwers zonder twijfel ook vandaag nog nauw aan het hart.

Ontdek meer over dit thema

Toon alle artikels over hetzelfde thema

Ontdek andere artikels

Toon alle nieuwigheden